Pedro Laurenz

echte naam: Pedro Blanco Acosta (Laurenz is zijn moeders naam)
bandoneonist, componist, bandleider

geboren op 10 oktober 1902 – overleden 7 juli 1972

Pedro Laurenz groeide op in het snel uitdijende Buenos Aires. Hij woonde in een buurt waar alle tangopersonages in conventillos (woonkazerne) samenleefde. Hij speelde op jonge leeftijd de viool. Die wisselde hij, onder druk van zijn broer, in voor een bandoneon. Het werd een groot succes. Pedro was toen 15 en ze woonde intussen in Montevideo.

Hij debuteerde in het orkest van de vergeten pianist Luis Casanovas. In dit orkest speelde ook twee beroemde violisten, Edgardo Donato en Roberto Zerillo. Het beroemdste orkest waarin Laurenz speelt is dat van Julio de Caro. Hij vervangt daar een andere meester op de bandoneon; Luis Petrucelli. Eerste bandoneonist, Pedro Maffia is de inspirator en het voorbeeld voor de jonge Laurenz. Zij nemen 2 platen op als bandoneon duo en zijn daarmee de eerste. Na een jaar (in 1926) vertrekt Maffia om zijn eigen orkest te beginnen. Laurenz neemt de eerste bandoneon bij deCaro voor zijn rekening. De man met de jampotglazen naast Laurenz is Armando Blasco, nog zo’n geweldige bandoneonist.

Pedro Laurenz ontwikkelde zich tot een van de beste bandoneonisten ooit. Hij beheerst het instrument duwend en trekkend, in de hoge en lage registers. Hij is snel in de variaties maar hij kan ook fluisterzacht spelen.


podestaIn 1934 vormt Laurenz zijn eigen orkest en neemt Armando Blasco mee om een nieuwe stijl te creëren. Ook vraagt hij de jonge pianist Osvaldo Pugliese. (Pugliese wordt later wereld- beroemd en laat een groots oeuvre na.) In 1937 nemen ze “Arrabal” op en starten daarmee volgens velen de ‘gouden tijd’ (Pugliese speelt niet mee bij die opname).

De stijl van het orkest kent een vroege en latere klank. Tussen 1937 en 1942 vooral ritmisch en wat sneller met virtuoze variaties. Met zanger Alberto Podesta klinkt het orkest vanaf 1943 een stuk ronder en romantischer. Ze werkten slechts één jaar samen en maakten zo’n 15 plaatopnamen. Behalve Podesta waren de andere zangers in het orkest niet erg populair. Dit had ook directe gevolgen voor de populariteit van het hele orkest.


1960 is Pedro Laurenz bandoneonist in het beroemde Quinteto Real. De orkestleider is (nog steeds) pianist Haracio Salgan. Het orkest brengt een nieuw geluid waarin de elektrische gitaar van Ubaldo de Lio een belangrijke rol speelt. Tijdens het debuut van het orkest speelt Laurenz samen met Anibal Troilo.

Zijn composities zijn klassiekers geworden; Mala Junta, Orgullo Criollo, Amurado en Milonga de mis Amores. En de gezongen tango’s De puro guapo, Como dos extranos en Vieja amiga hoor je regelmatig in allerlei versies op de salons.